|
 |
Lees hier
over: Geschiedenis Hervormde Kerk
van Suriname
Geschiedenis
van het Protestantisme in Nederland
1. Luther en
Calvijn
Op 31 oktober 1517, 's middags tegen 12 uur gaat Luther naar de Slotkerk te
Wittenberg en slaat aan de hoofddeur vijfennegentig stellingen over de
aflaat aan. Hij nodigt een ieder uit om met hem van gedachten te wisselen
over de uitspraken die hij daarin doet. Luther stelt in de stellingen vast,
dat de vergeving van zonden alleen afhangt van verootmoediging en geloof in
God. Hij bestrijdt de mening, dat vergeving van zonden binnen de competentie
van de Kerk valt en bijvoorbeeld via het kopen van een aflaat te krijgen zou
zijn. Luther is tot deze mening gekomen na veel Bijbellezen, omdat hij er
niet zeker van was, dat hij een leven kon leiden, zoals dat een kloosterling
(zoals hij zelf was) betaamt. Door het lezen komt hij erachter dat God ons
niet aanneemt op grond van de dingen die wij voor hem doen, maar op grond
van het
geloof in Jezus Christus. Hij keert zich met zijn stellingen dan ook
niet in de eerste plaats tegen het kerkelijk gezag, hij wil alleen dat de
leer van de kerk wordt herzien. De Bijbel moet een centrale plaats krijgen,
niet de Kerk. Zijn stellingen worden afgeschreven en door het hele land
verspreid. Hun scherpe toon en de eenvoudige bewoording (na vertaling in het
Duits) zorgden ervoor, dat de stellingen van Luther zich snel verspreidden.
De Kerk reageerde snel en scherp. Toen Luther zijn stellingen niet wilde
herzien, werden hij en zijn volgelingen op 1 januari 1521 uitgesloten van de
Kerk. Het protestantisme was geboren.
In de jaren 30 en 40 van diezelfde eeuw trad de Fransman Jean Chauvin op in
Geneve. Wij kennen hem beter als Johannes Calvijn. Hij systematiseerde de
geloofsleer die in de Bijbel te vinden is, maar op een nieuwe manier. Bij
alles plaatste hij God op de voorgrond in plaats van de Kerk, zoals dat toen
gebruikelijk was. Ook het openbare leven wilde Calvijn reformeren, meer
aanpassen aan zijn strenge normen en waarden. Zijn ideeën hebben de meeste
invloed gehad op de ontwikkeling van het Nederlandse protestantisme.
2. Kettervervolging
De eerste stad in de Nederlanden waar bekend raakte dat de theologische
hoogleraar Maarten Luther zijn stellingen had verkondigd, was Antwerpen.
Duitse kooplieden brachten het nieuws mee. In de lente van 1518 waren er al
geschriften van Luther te Antwerpen te koop. De enigen die tot 1530 notie
van deze stroming namen, waren de drukkers (voornamelijk uit handelsoogpunt,
soms ook vanwege persoonlijke overtuiging) en enkele vooruitstrevende
groepen van denkende mannen. Door deze discussies raakten steeds meer mensen
geinteresseerd in wat de Bijbel nu precies te zeggen had. Er werden heel wat
Bijbels of delen van Bijbels uitgegeven, gekocht en gelezen. Vervolgens
werden daar dan weer boeken over geschreven, die door de boekdrukkers werden
uitgegeven. Zo was de net uitgevonden boekdrukkunst een belangrijke factor
in de verspreiding van de Reformatie.
Intussen was ook de politiek zich steeds meer met de kwestie gaan bemoeien.
Op 29 april 1550 werd er een plakkaat uitgevaardigd, dat de doodstraf stelde
op iedere discussie over de Bijbel door leken. Dit kon de ontwikkeling
echter niet tegenhouden, dat door het hele land groepen aanhangers van de
Reformatie bij elkaar kwamen om de eredienst en het kerkelijk leven volgens
de nieuwe inzichten vorm te geven. Langzamerhand drong ook Calvijns faam
door en begonnen predikers ook volgens zijn methode de Bijbel uit te leggen
en toe te passen.
3. Alva en Willem van Oranje
De protestanten noemden zichzelf inmiddels 'gereformeerden,' oftewel degenen
die hun gemeente naar de leer van de Reformatie hadden omgevormd. Ze
begonnen buiten de bebouwde kom bijeen te komen, het zgn hagepreken. Of ze
kwamen in woonhuizen bijeen om samen een gedeelte uit de Bijbel te bespreken.
Vaak was hier geen priester bij aanwezig, maar werd de bijeenkomst geleid
door een belezen middenstander. Hier en daar eisten de protestanten zelfs
kerkgebouwen op. In de zomer van 1566 ontlaadde de tegenstelling tussen
protestant en katholiek zich in een golf van verwoestingen, gericht tegen
rooms-katholieke kerken en kapellen. De vernietiging betrof alles wat te
maken had met de gebruikelijke eredienst. Aangezien vooral de beelden in de
kerken het moesten ontgelden, kreeg deze periode de naam 'beeldenstorm.' Het
ging de beeldenstormers erom, een ruimte te krijgen om hun erediensten te
houden. Het was geen door de gereformeerden georganiseerde actie, maar ze
keurden het ook niet af. De regering besloot daarop tot een strafoefening.
In 1567 arriveerde de hertog van Alva in de Nederlanden om de
verantwoordelijken op te pakken en de macht van de RK kerk te herstellen. De
stadhouder van Holland, Willem van Oranje Nassau kwam daartegen in het
geweer. Hij had een lutherse opvoeding genoten door zijn Duitse ouders en
was grootgebracht met het idee dat een heerser zich niet mag mengen in het
geloofsleven van zijn onderdanen. Onder Willem van Oranje organiseerde de
opstand tegen de Spaanse overheersers zich onder de naam van geuzen. Met
name de gereformeerden toonden zich actief, daar zij het dubbele juk van
Spaanse en katholieke overheersing van zich wilden werpen.
Officieel begin
1. Emden 1571
Tussen 4 en 13 oktober 1571 kwamen te Emden (Duitsland) 29 predikanten en
ouderlingen van Nederlandse gemeenten bijeen. Ze wilden een
gemeenschappelijke lijn uitzetten voor de structuur van de Gereformeerde
Kerk in de Nederlanden. Zeer belangrijk en opvallend was het eerste artikel
van hun kerkorde:
"Geen kerk (d.i. plaatselijke gemeente) zal over andere, geen dienaar (des
Woords) over dienaren, geen ouderling over ouderlingen, geen diaken over
diakenen voorrang of heerschappij uitoefenen, maar veeleer zal elk zich
wachten voor alle verdenking daarvan en gelegenheid daartoe." Er is
dus geen hiërarchie zoals in de RK kerk.
Het verband tussen de gemeenten wordt in stand gehouden door elke twee jaar
een dergelijke vergadering (nationale synode) bijeen te roepen. In het
andere jaar moest elke regio een provinciale synodevergadering houden. Eens
per kwartaal of per halfjaar zouden bij elkaar in de buurt liggende kerken
met elkaar moeten overleggen in een classisvergadering. De kerkenraad moest
minstens eens per week bijeenkomen. In geen enkele vergadering mochten de
predikanten in de meerderheid zijn. Als basis van het geloofsleven werd de
leer van de Bijbel genomen. Als leerboeken voor het geloofsonderricht
mochten de Heidelbergse Catechismus of de Catechismus van Geneve (van
Calvijn) gebruikt worden, deze laatste alleen in Franstalige gemeenten.
Eventueel mocht ook een andere catechismus gebruikt worden, mits die in
overeenstemming met Gods Woord was. Deze synode kan gezien worden als het
begin van de Nederlandse Hervormde (Gereformeerde) Kerk.
2. Opkomst van het protestantisme
Zowel de overtuigde protestanten als de overtuigde katholieken vormden
waarschijnlijk een minderheid in het land. De meerderheid bleef het liefst
neutraal, tot zou blijken welk van de partijen het machtigste was. Ook de
overheden probeerden een ieder te vriend te houden en een middenweg te
zoeken. Dat werd ze door geen van de partijen in dank afgenomen.
De protestanten wilden geen nieuwe kerk stichten, maar de oude hervormen. Op
plaatsen waar zij in de meerderheid waren, riepen zij daarbij vaak de hulp
van de overheid in. Wie zich niet wilde hervormen, moest door de overheid
uit zijn dienst ontzet worden, zonder echter daarbij in lichaam of goed
beschadigd te worden. Zo zou er dan plaats komen voor de ideeën van de
Reformatie. Op 8 november 1576 sloten de vertegenwoordigers van
verschillende Nederlandse gewesten in Gent een verbond, de zogenaamde
Pacificatie van Gent. De ondertekenaars verbonden zich om elkaar bij te
staan bij het verdrijven van de Spaanse overheersers en een zekere mate van
zelfbestuur te herstellen. In Holland en Zeeland mogen de gereformeerden hun
godsdienst vrij belijden, maar ze mogen niets ondernemen tegen het
katholicisme in de overige gewesten. De overheid in deze gewesten legde geen
geloofsvorm op aan de bevolking, lieten de gewetens vrij en controleerden de
kerkgang niet. Het bleef bij bevoorrechting van de gereformeerden door
toekenning van gebouwen en fondsen die aan rooms-katholieken werden ontnomen.
3. Eerste nationale synode op Nederlandse bodem: Dordrecht 1578
Op 3 juni 1578 begon de eerste officiële nationale synode van de 'Nederlandischen
Duytschen ende Walschen Kerken.' 53 deelnemers kwamen in Dordrecht bijeen,
onder hen ook vertegenwoordigers van Nederlandse gemeenten in Duitsland en
Engeland. Opnieuw werd vastgelegd dat er geen hiërarchie bestond in het
besturen van de kerk, evenals in Emden. Er waren wel meerdere vergaderingen,
maar geen hogere. Als algemeen beginsel werd geformuleerd, dat een zaak
alleen dan in een meerdere vergadering aanhangig wordt gemaakt als deze op
een mindere vergadering niet kon worden afgehandeld, of als de zaak de
kerken in het algemeen aangaat.
4. Staatskerk
Ook de verhouding met de overheid werd opnieuw onder de loep genomen. Voor
hun financiering waren de gemeenten afhankelijk van de overheid. Dat zagen
zij ook als een taak van de overheid. Maar de synode onderstreepte tevens de
zelfstandigheid van de kerk bij het beroepen van predikanten en het kiezen
van ouderlingen en diakenen. In de praktijk zou echter de overheid ook leden
naar de kerkeraden en de kerkvergaderingen delegeren.
De gereformeerde kerk werd uiteindelijk de publieke kerk van Nederland, de
enige officieel erkende kerk. Daarom had zij als taak alle kinderen te dopen,
ongeacht het geloof van de ouders. Ook de huwelijken werden door de
predikanten gesloten, ongeacht het geloof van het echtpaar. Zo fungeerde de
kerk dus als een deel van de overheid. Maar de gereformeerde kerk werd geen
staatskerk: er was geen automatisch lidmaatschap. Het eigenlijke
lidmaatschap bleef gebonden aan specifieke voorwaarden van persoonlijke
keuze en officiële toelating. Het aantal belijdende leden van de kerk bleef
dan ook relatief klein. In 1816 kwam een einde aan de bevoorrechte positie,
en de naam van de kerk veranderde van gereformeerde, naar hervormde kerk.
Lees meer hierover verderop deze pagina.
Interne strijd
1. Remonstranten en contra-remonstranten
In het jaar 1604 ontstond er aan de universiteit te Leiden een verschil van
mening tussen twee hoogleraren in de theologie: Arminius en Gomarus. Volgens
het universitair lesrooster moest het onderwerp van de uitverkiezing aan bod
komen. Arminius legde dit theologische leerstuk als volgt uit: God heeft
besloten om degenen die zich tot Hem keren en in Hem geloven, in genade te
ontvangen en hen zalig te maken. Wie niet voor God kiest, wordt door Hem
verworpen. Ofwel: wie voor God kiest, wordt door God ontvangen. (De mens
kiest voor God)
Gomarus daarentegen legde in navolging van Calvijn de nadruk op het werk van
God. Hij geeft aan sommigen geloof, aan anderen niet. God is niet van mensen
afhankelijk, bovendien zijn Gods wegen voor mensen niet altijd te begrijpen.
Ofwel: God heeft mensen uitgekozen, die Hij wil ontvangen. Waarom, dat
kunnen wij niet bevatten. (God kiest voor de mens)
Arminius vond dat zijn leer in overeenstemming met de Bijbel was, zijn
tegenstanders vonden van niet. Ook de politiek ging zich ermee bemoeien en
deze stelde voor dat een nationale synode de leer (en ook de kerkorde) aan
een grondig onderzoek zouden onderwerpen. Dat was tegen het zere been van
Gomarus en de zijnen, die de uitspraken van Arminius juist op grond van de
al vastgelegde leer wilde beoordelen. De strijd sleepte een aantal jaren
voort, tot Arminius overleed op 19 oktober 1609. Het standpunt van Arminius
werd door nog zo'n 40 predikanten gedeeld. In januari 1610 dienden deze
predikanten een verzoekschrift bij de staten van Holland in, een zogenaamde
remonstrantie. Zij vroegen de overheid om een nationale synode bijeen te
roepen, waar 5 punten van leerstellige aard besproken zouden kunnen worden.
Ze wilden een revisie van de geloofsbelijdenis en de catechismus, zodat hun
standpunt daarin duidelijker naar voren zou komen. De overheid legde hun
standpunten voor aan de verschillende classisvergaderingen met het voorstel
om deze te accepteren en verdere discussie te staken. Dit viel niet in goede
aarde, vooral niet omdat volgens de algemene opvatting de overheid zich niet
had te mengen in de leer van de kerk. Wie het met de remonstrantie eens was,
noemde zich voortaan remonstrants, de overigen waren contraremonstrants. Het
werd een nationaal conflict, dat de natie in twee groepen verdeelde. Het
ging allang niet meer alleen over leerstellige verschillen. Het ging ook
over de mate van inmenging van de overheid in geloofszaken. Lokale politici
zagen wel iets in het standpunt van de remonstranten, dat hun macht zou
vergroten. De Staten-Generaal wilden echter niet dat de invloed aan de
provincies en steden te groot zou worden, zodat zij meer aan de kant van de
contraremonstranten stonden. Deze splitsing had dus niet veel meer te maken
met de oorspronkelijke discussie tussen twee theologen. Er ontstonden zelfs
relletjes.
De stadhouder Maurits had het toen voor het zeggen in de Staten van Holland.
Hij wilde zich niet mengen in kerkaangelegenheden, maar zag zich op den duur
gedwongen een standpunt in te nemen. Hij wendde zich af van zijn
remonstrantse hofprediker en koos voor het standpunt van de
contraremonstranten. Belangrijkste afweging was waarschijnlijk, dat hij de
eenheid tussen de gewesten wilde handhaven en niet het gevaar wilde lopen
dat het land in verschillende stukken zou scheuren. Hij wendde zijn macht
aan en in oktober 1617 werd het voorstel aangenomen, dat de Staten-Generaal
(dus de overheid) een nationale kerksynode zou bijeenroepen en bekostigen.
2. Synode van Dordrecht 1618-1619
Op dinsdag 13 november 1618 komt de synode voor het eerst bijeen te
Dordrecht. Er zijn 37 Nederlandse predikanten en 19 ouderlingen aanwezig,
verder 5 professoren in de theologie, 26 vertegenwoordigers van buitenlandse
kerken en 18 afgevaardigden namens de Staten-Generaal. Voertaal van de
vergaderingen is het Latijn. Slechts 3 van de afgevaardigden behoren tot de
richting van de remonstranten. Deze vergadering riep een groep van 13
remonstrantse predikanten op om een verdediging van hun standpunten te geven.
De synode zou daar dan een oordeel over vellen. Dit was natuurlijk niet naar
de zin van de remonstranten: ze wilden geen oordeel, ze wilden een discussie.
Omdat de remonstranten continu de gang van zaken op de vergadering ter
discussie wilden stellen, maar niet inhoudelijk op het leergeschil ingingen,
stuurde de voorzitter van de vergadering hen uiteindelijk naar huis. Daarna
bogen verschillende (internationaal samengestelde) commissies zich over de
opvattingen van de remonstranten. Ze stelden een aantal leerregels op,
waarin de rechte leer werd samengevat. Op 6 mei 1619 werden deze zogenaamde
Dordtse leerregels plechtig voorgelezen en tot officieel belijdenisdocument
van de gereformeerden in Nederland verklaard.
Er waren nu drie geschriften (drie formulieren van enigheid) die de leer van
de kerk samenvatten:
• de Heidelbergse Catechismus,
• de Nederlandse geloofsbelijdenis en
• de Dordtse leerregels.
Alle predikanten moesten voortaan deze drie geschriften ondertekenen en zich
aan de inhoud er van houden. De predikanten die dit weigerden, werden uit
hun ambt ontzet. Ze verenigden zich in de Remonstrantse Broederschap, die
tot de dag van vandaag nog bestaat.
De synode van Dordrecht hield zich ook nog met enkele andere zaken bezig. Zo
gaf ze opdracht tot een vertaling van de Bijbel vanuit de oorspronkelijke
talen in het Nederlands. De zogenaamde Statenvertaling. Bovendien werd er
ook een kerkorde geschreven. (Daarin ook een zeer tolerant artikel. Toen al,
red.). Ook over de verhouding tot de overheid spraken de Nederlandse
synodeleden zich uit (de buitenlandse leden waren toen al naar huis). Ze
verwachtten van de overheid het handhaven en verdedigen van het de
protestantse leer, met achterstelling van andersdenkenden. Als
tegenprestatie zal de kerk haar leden tot goede burgers opvoeden.
Verandering van structuur
1. Scheiding van kerk en staat
We maken nu een grote sprong in de tijd. Het is er ons om te doen, de
huidige situatie van de Hervormde Kerk in Nederland te begrijpen.
We zijn
daarom niet volledig, maar noemen alleen de markante punten in de
geschiedenis. We gaan naar het jaar 1795. In Frankrijk heeft dan al de
revolutie plaatsgevonden (1789). Vrijheid, gelijkheid, broederschap - dat is
de leus.
Het gewone volk duldt geen overheersing meer: geen God en geen meester. De
Fransen willen de hele wereld van het onrecht bevrijden en trekken dus in
1795 ook Nederland gewapenderhand binnen. De Bataafse Republiek werd
uitgeroepen, geregeerd door een Nationale Vergadering. Op 23 mei 1796 stelde
een rooms-katholiek volksvertegenwoordiger voor om kerk en staat te scheiden.
Er moest nog wat gediscussieerd worden, maar op 5 augustus werd vastgesteld
dat er geen bevoorrechte of heersende kerk meer geduld kan worden in
Nederland. Het luiden van kerkklokken werd verboden. De Hervormde Kerk zou
op den duur (na een overgangsregeling) zelf haar predikanten en instituten
moeten gaan financieren. Dat was een schok, want tot nu toe ontving de kerk
haar meeste inkomsten via de staat.
Op 1 mei 1798 trad een nieuwe grondwet in werking. Iedere burger heeft
voortaan het recht om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart, de
staat is hierin neutraal. In de additionele artikelen wordt geregeld, dat de
predikanten en theologische hoogleraren nog drie jaar een staatsinkomen
krijgen, daarna moet de kerk dat zelf regelen. Het plaatselijk bewind moet
de kerkgebouwen verdelen over de verschillende geloofsgenootschappen. Vaak
werd het gebouw aan één gemeente geschonken, die dan de anderen met geld (naar
evenredigheid van het aantal leden) moest 'uitkopen.' Maar de kerktorens en
de klokken bleven eigendom van de burgerlijke gemeente. In november 1799
neemt Napoleon Bonaparte echter de macht over in Frankrijk. De regering werd
vernieuwd en de staat zou de traktaten van predikanten en hoogleraars
voorlopig doorbetalen. Zo bleef de hervormde kerk een groot financieel
debâcle bespaard.
2. Besturenkerk onder staatstoezicht
In 1813 stortte het rijk van Napoleon in en wordt Nederland een Koninkrijk
onder Willem I. Nu werd weer vastgelegd dat de staat betaalt voor de
openbare Godsdienst in het land. De protestanten in Nederland noemden zich
inmiddels Hervormd, een vernederlandsing van het oorspronkelijke
Gereformeerd. Gereformeerd noemden zich alleen diegenen, die aan de Bijbelse
leer en de drie formulieren van enigheid onverkort wilden vasthouden. Net
als in veel andere zaken onderwierp Willem I ook de 'openbare godsdienst'
direct aan de kroon. Op 1 april 1816 onderging bij Koninklijk Besluit de
structuur van de Nederlandse Hervormde Kerk een ingrijpende wijziging. Toen
werd namelijk het 'Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk in
het Koninkrijk der Nederlanden' van kracht. Uit de naam valt al op dat het
hier met name om het bestuur, de organisatie van de kerk ging. De kerk werd
hiërarchisch opgebouwd: de synode was de baas, daaronder stonden de
provinciale vergaderingen, daaronder weer de kerkenraad. Al deze
vergaderingen werden als bestuursorganen beschouwd: met de inhoud van de
leer moest men zich maar niet bemoeien, dat gaf toch maar geschillen en
ruzies. De eerste leden van al deze besturen werden door de koning
aangewezen.
3. Wederom scheiding van kerk en staat
In 1852 werd deze laatste regeling teruggedraaid: voortaan koos de gemeente
de kerkenraad, uit hun midden kwamen de leden van de provinciale
kerkvergadering voort, daaruit weer de synodeleden. Deze hiërarchische
opbouw van het kerkelijk leven is tot op de dag van vandaag nog merkbaar in
de Nederlandse Hervormde Kerk, al is de kerkorde in 1951 gewijzigd en is het
systeem van mindere en meerdere vergaderingen weer hersteld. In de praktijk
blijkt toch het hiërarchisch denken steeds weer de boventoon te voeren.
Afsplitsingen
Vanaf de synode te Emden bestond er eigenlijk maar één kerkgenootschap dat
als kerk van de reformatie kan worden beschouwd, namelijk de Hervormde Kerk.
Natuurlijk bestonden er binnen en buiten deze kerk ook splintergroepen met
een geloofsopvatting die op bepaalde punten afweek van deze hoofdstroom. Er
was een kleine groep gelovigen die zich uitsluitend op Luthers werk baseerde,
de Lutherse Kerk. Ook waren er enkele groepen die alleen volwassenen doopten
en nog enkele andere groepen. De invloed van het reformatorisch gedachtegoed
op de Nederlandse cultuur kwam echter vrijwel uitsluitend van de hervormde
Kerk. In 1834 begint een periode van afsplitsingen. Deze leiden tot de grote
verscheidenheid aan gereformeerden en hervormden die zo kenmerkend is voor
de Nederlandse situatie.
1. Afscheiding
De eerste afsplitsing is de zogenaamde Afscheiding. We schrijven het jaar
1829. Hendrik de Cock is predikant te Ulrum en krijgt van zijn gemeenteleden
te horen dat zijn prediking diepgang mist (een thema dat we vaker tegenkomen).
De Cock neemt de kritiek serieus en gaat zich meer verdiepen in de
geschriften van Calvijn en de formulieren van enigheid. Hij herkent er de
Bijbelse boodschap in, maar komt er tegelijkertijd achter dat er heel wat
verkondigd wordt in de kerken, dat de toets aan de formulieren niet kan
doorstaan.
Nu had de Hervormde Kerk zich over deze formulieren inmiddels wat
terughoudender uitgesproken. Als een predikant deze formulieren ondertekende,
gaf hij aan dat hij achter de principes van deze formulieren kon staan - het
ging niet om de tekst, maar om het idee.
De Cock en ook heel wat kerkmensen vonden dat wat al te vrij. Toen De Cock
steeds duidelijker naar de lijn van de formulieren ging preken, stroomden de
gelovigen uit de wijde omgeving naar zijn kerk toe. Veel ouders lieten hun
kinderen liever door De Cock dopen dan door de plaatselijke predikant, omdat
ze moesten beloven het kind op te voeden naar de leer die in de doopgemeente
werd verkondigd. Ze herkende bij De Cock de Bijbelse leer, die ze in hun
eigen gemeente misten. Vooral vanwege kritiek op zijn collega-predikanten
werd De Cock op 19 december 1833 (dus net voor Kerst) door het provinciaal
kerkbestuur geschorst. Hij moest twee jaar zijn mond houden. Dat was echter
niet naar de zin van De Cock en hij hield zich hier dan ook niet aan. Het
kerkbestuur zette hem een half jaar later af, maar daar kon de kerkenraad
van Ulrum zich niet in vinden. Wat is dat voor een kerkbestuur, dat een
predikant afzet die volgens de officiële belijdenisgeschriften preekt?
Op 13 oktober 1834 stelde de kerkenraad een Acte van afscheiding of
wederkering op. Ze verklaarden hierin zich af te scheiden van de Hervormde
Kerk. Deze kerk hield zich niet meer aan haar belijdenis en was daarom een
valse kerk. De gemeente te Ulrum hield vast aan de basisprincipes en was dus
de wettige voortzetting van de kerk. De gemeente verklaarde met iedereen
gemeenschap te willen oefenen die zich net als zij aan de drie formulieren
van enigheid hield. Er volgden meer gemeenten in het jaar erop, met in
totaal een paar duizend leden. Begin 1836 belegden deze gemeenten hun eigen
vergadering om tot de stichting van een eigen kerkgenootschap te komen. Ze
dachten aan de naam Christelijke Gereformeerde kerk onder het kruis in
Nederland. Let op de term 'gereformeerd,' die wijst op het willen vasthouden
aan de belijdenisgeschriften. 'Onder het kruis' betekent dat de gemeenten
lijden onder deze situatie en ze het liever anders zouden zien. Koning
Willem I was echter niet van zins een ander kerkgenootschap toe te staan dat
het woord gereformeerd gebruikte. In zijn visie was hervormd en gereformeerd
hetzelfde, dus de naam was al bezet.
Tweespalt tussen de net afgescheiden gemeenten
Er ontstond een tweespalt tussen de afgescheiden gemeenten. Sommigen wilden
door de overheid erkend worden als kerkgenootschap en kozen voor de naam
Christelijke afgescheiden gemeenten.
Anderen beriepen zich op de synode van Dordrecht van 1618-1619. Zij waren de
voortzetting van de kerk die toen de synode had gehouden, dus ze hoefden
helemaal niet opnieuw erkend te worden door de overheid. Bovendien wilden
zij alleen de kerkorde van de Dordrecht (en niet het Algemeen Reglement) als
hun reglement erkennen. Ze noemden zich Gereformeerde kerken onder het kruis.
Doch vrij gauw daarna samengaan in Christelijk Gereformeerde kerken
Toen de overheid later geen directe invloed meer op de kerk wilde uitoefenen,
maakte ze zich ook niet meer druk over de naamgeving. De twee soorten
afgescheiden gemeenten sloten zich voor het grootste deel bij elkaar aan en
vormden vanaf toen de Christelijk Gereformeerde kerken. Dit is de site van
de Christelijk Gereformeerde kerken.
Verdere afsplitsingen en fusies
Hiernaast bleven enkele gereformeerde gemeenten onder het kruis bestaan. Uit
deze kruisgemeenten was een nog strengere richting afgesplitst onder leiding
van dominee Ledeboer. Gelovigen in deze gemeenten hielden zich aan strenge
leefregels en zongen in de eredienst alleen psalmen naar een vertaling uit
de Reformatietijd. In 1907 lukte het een zekere dominee Kersten om de
kruisgemeenten en de ledeboerse gemeenten tot een fusie te brengen onder de
naam Gereformeerde gemeenten in Nederland en in Noord-Amerika. In
Noord-Amerika waren veel Nederlandse emigranten terechtgekomen, vandaar de
naam.
In 1953 volgde nog een afsplitsing, omdat sommige predikanten pas over het
Evangelie van Jezus Christus wilden praten, als de gelovigen zich volkomen
bewust waren van hun zonden. Hieruit ontstonden de Gereformeerde gemeenten
in Nederland.
Natuurlijk bleven ook bij de fusie van 1907 enkele gemeenten vasthouden aan
de traditie: de oude gewoontes en de oude psalmberijming. Zij vormen tot op
de dag van vandaag de Oud-gereformeerde gemeenten in Nederland.
2. Doleantie
Hetzelfde dat De Cock in Ulrum overkwam, gebeurde de doctor in de theologie
Abraham Kuyper in 1863 te Beesd. Een eenvoudige vrouw vertelde hem, dat zijn
preken nogal oppervlakkig waren en dat hij de boodschap van de Bijbel
waarschijnlijk nog niet helemaal begrepen had. Ook hij ging zich in Calvijns
werken verdiepen en in het werk van 17e eeuwse Nederlandse theologen die
daarop voortbouwden. Langzamerhand raakte hij ervan overtuigd dat diegenen
die zich aan de leer van de Bijbel en de belijdenisgeschriften wilden houden,
zich moesten afzonderen van de rest van de kerk. Wat bij De Cock dus
toevallig gebeurde, was bij Kuyper opzet: hij wilde de belijdende gelovigen
afscheiden van de rest van de kerk, omdat de kerk alleen op grond van de
belijdenis echt kerk is. Kuyper werd ook politiek actief en moest daarom
zijn predikantschap neerleggen. Wel bleef hij ouderling in de Hervormde
kerkenraad te Amsterdam. Enkele predikanten die daar werkzaam waren,
preekten niet de leer die in de belijdenis vervat is, en ook wat betreft hun
catechisatie waren er twijfels bij de kerkenraad: wat leren de jongelui daar
eigenlijk? Aangezien de belijdenis noodzakelijk was voor het volkomen
lidmaatschap van de kerk, werd hierop door de kerkenraad bijzonder scherp
gelet. In 1885 weigerde de kerkenraad aan de catechisanten van deze
predikanten de mogelijkheid om belijdenis van hun geloof te doen. Nu konden
ze eventueel ook in een andere plaats belijdenis doen, maar dan moesten ze
een bewijs van goed gedrag van hun eigen kerkenraad overleggen. Ook deze
attesten wilde de kerkenraad van Amsterdam niet uitreiken, omdat zij de
jongelui in het geheel niet als belijdend lid van de Hervormde Kerk wilden
laten aannemen - dus ook niet via deze U-bochtconstructie. Zo stuurde de
kerkenraad van Amsterdam (met Kuyper in hun midden) bewust op een conflict
aan. Het provinciaal kerkbestuur schreef de kerkenraad voor om de attesten
uit te reiken, maar de kerkenraad weigerde. Na nog een lange procedure
werden enkele predikanten en kerkenraadsleden (waaronder Kuyper) uit hun
ambt ontzet. Op 1 december 1886 ging werd dit oordeel officieel. Op 16
december 1886 verklaarde de afgezette kerkenraad zich tot de 'wederopgetreden
wettige kerkenraad van Amsterdam' en vormde een kerkgenootschap met de naam
Nederduitse Gereformeerde kerk (dolerende). Doleren betekent klagen en drukt
uit, dat de kerkenraadsleden met pijn in hun hart deze stap namen. Andere
gemeenten volgden Kuyper in de opstand tegen de Hervormde synode en de
afwezigheid van toezicht op wat er in de Hervormde kerk geleerd werd.
Uiteindelijk gingen 76 predikanten en 200 kerkeraden mee in deze Doleantie.
De Hervormde Kerk verloor 9 procent van haar leden. Gezien de
overeenkomstige standpunten van de afscheiding en de Doleantie, is het niet
verwonderlijk dat de twee groepen elkaar al snel vonden. In 1892 gingen
beide op in de Gereformeerde kerken in Nederland, tegenwoordig vaak
gereformeerd synodaal genoemd. Enkele afscheidingsgemeenten konden zich
echter niet vinden in sommige punten van de theologie van Kuyper, de grote
man achter de Doleantie. Zij bleven zich christelijk gereformeerd noemen.
3. Hersteld verband en Vrijmaking
De Gereformeerde kerken in Nederland zouden met twee conflicten te maken
krijgen, één in 1924 en één in 1944. De eerste betrof het zogenaamde
conflict-Geelkerken. Op 23 maart 1924 preekte dominee Geelkerken over
Genesis 3, het verhaal van de zondeval. Hij zei in zijn preek, dat het
moeilijk te begrijpen was hoe we ons moeten voorstellen dat een slang tot
Eva iets zegt. Misschien moeten we het wel zo uitleggen, dat God in de
Bijbel zich uitdrukt met woorden die wij kunnen begrijpen, al is de
mededeling soms symbolisch bedoeld. Een kerkganger dacht dat Geelkerken in
twijfel wilde trekken of de Bijbelverhalen wel werkelijk gebeurd waren en
diende een klacht in. Er volgde een kerkelijke procedure over de vraag of de
slang wel of niet hoorbaar gesproken had, met als diepste punt van verschil
hoe de Bijbel uitgelegd moet worden: letterlijk of symbolisch. In 1926 kwam
het geschil op de synode van de gereformeerde kerken te Assen aan de orde.
De synode eiste van Geelkerken een verklaring dat hij zich zou uitspreken
voor een letterlijke uitleg van de Bijbel. Geelkerken weigerde, want hij
wilde dieper nadenken over hoe hij de Bijbel zag. Daarop werd hij geschorst,
maar daar trok hij zich niets van aan. De synode zette hem daarop af, met
voorbijgaan van de classis en de provinciale kerkvergadering. Hier wordt dus
in een meerdere vergadering iets besloten, waar eerst een mindere
vergadering over zou moeten beslissen. Dit schoot bij enkele predikanten in
het verkeerde keelgat en ze raakten in overleg met de Hervormde Kerk of zij
zich niet weer bij hen konden voegen. Er ontstonden uiteindelijk 24
Gereformeerde kerken in Nederland (in hersteld verband). In 1946 gingen deze
gemeenten uiteindelijk definitief op in de Hervormde Kerk.
Vrijmaking
Het tweede grote conflict trad in 1944 op. Al in 1942 was een discussie
ontstaan over enkele theologische uitspraken die Kuyper had gedaan. Vooral
zijn argumentatie omtrent de doop kwam niet helemaal overeen met datgene wat
de belijdenis geschriften onder woorden brachten. Het ging vooral om de
vraag, op welke grond aan kleine kinderen de doop bediend mag worden. De
belijdenisgeschriften zeggen, dat de doop aan kinderen van gelovige ouders
bediend moet worden, omdat ze tot een gezin behoren dat zich door God laat
leiden (de verbondsgedachte). Kuyper ging er op grond van zijn streng
systematisch denken vanuit, dat we mogen veronderstellen dat God de kinderen
van gelovige ouders min of meer automatisch het geloof in hun hart meegeeft
(de veronderstelde wedergeboorte). De synode wilde de leer van Kuyper
bindend voorschrijven, dus alle predikanten moesten verklaren, het hiermee
eens te zijn. Met name de dominee Klaas Schilder voerde hiertegen bezwaar
aan. In de eerste plaats vond hij dat de synode niet wettig kon zijn, omdat
vanwege de oorlog niet alle leden aanwezig konden zijn. Verder vroeg hij
zich af of de synode een bepaalde visie op de doop bindend kan voorschrijven,
zeker als deze visie niet geheel in overeenstemming met de belijdenis en de
Bijbel te brengen is. Hij beriep zich op artikel 31 van de Nederlandse
Geloofsbelijdenis. Dit artikel bevatte de volgende passage:
"Wat de dienaren des Woords betreft, zij hebben, op welke plaats zij ook
zijn, gelijke macht en gezag, daar zij allen dienaren van Jezus Christus
zijn, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd van de Kerk." Ook de
synode bestaat uit dienaren des Woords en kan dus geen leer bindend
voorschrijven als deze niet duidelijk uit de Bijbel af te leiden is. De
synode hield voet bij stuk en zette Schilder af. Opnieuw een ingrijpen van
de synode dus, zonder dat de classis of de provinciale kerkvergadering was
geraadpleegd. Dit vroeg natuurlijk om problemen. Op 11 augustus 1944 kwam
Schilder met een 'acte van vrijmaking of wederkeer,' dus net als bij de
Afscheiding meer dan 100 jaar eerder. In vrijwel elke gereformeerde kerk
volgden meer of minder gemeenteleden zijn voorbeeld. Zo ontstonden de
Gereformeerde kerken in Nederland, onderhoudende artikel 31 der Kerkorde.
Ze werden vroeger aangeduid als artikel 31-gemeenten, tegenwoordig met de
term gereformeerd (vrijgemaakt). Dit is de site van de Gereformeerde kerken
(vrijgemaakt). De vrijgemaakten vormden en vormen een zeer gesloten
gemeenschap: ze hebben hun eigen verenigingen, opleidingen en dergelijke
meer. In 1967 ontstond daar een conflict over binnen de vrijgemaakte kerk.
Er waren gemeenten die ook met andere gereformeerde stromingen wilden
samenwerken, bijvoorbeeld in de politiek. Een honderdtal van deze gemeenten
stelden zichzelf 'buiten verband' met de rest en splitsten zich uiteindelijk
af onder de naam Nederlands Gereformeerde kerken. Dit is de site van de
Nederlands Gereformeerde kerken.
4. De Gereformeerde Bond
Na al deze afsplitsingen tot slot één groep mensen die beslist binnen de
Hervormde kerk wil blijven, al is ze het met de officiële uitingen van deze
kerk niet altijd eens. In 1903 verscheen van de hand van een hervormd
predikant een brochure over het boeddhisme. Deze predikant schreef er erg
lovend over en dat gaf natuurlijk de nodige opschudding, aangezien de
boeddhistische leer haaks op de christelijke staat. De hervormde synode
maakte er echter geen probleem van dat een predikant zoiets schreef. Als
reactie hierop (en mede op de algemene vervlakking binnen de Hervormde kerk)
werd in 1906 de 'Gereformeerde bond tot vrijmaking der nederlandsch
hervormde kerken' opgericht. De bond wilde terugkeer naar de formulieren van
enigheid en het losmaken van plaatselijke gemeenten van het opzicht van de
synode. Dat riekte wel erg veel naar een nieuwe afscheiding. In 1909 werden
de statuten en de naam van de Bond gewijzigd. Ze heette voortaan 'Gereformeerde
Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandse
Hervormde (Gereformeerde) Kerk.' Let weer op het gebruik van het woord
gereformeerd! Men wilde binnen de Hervormde kerk actief blijven en deze
reformeren door steeds weer te wijzen op de Bijbel en de formulieren van
enigheid. Ze bestaat tot vandaag toe, met eigen predikanten, gemeentes en
een eigen weekblad (De Waarheidsvriend), maar binnen het geheel van de
Hervormde Kerk. Dit is de site van de Gereformeerde Bond.
Bronnen
• Dr. Otto J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, 3e druk, Nijkerk 1986
• Karel Blei, De Nederlandse Hervormde kerk, 2000
• dr. Jn B.G. Jonkers, De gereformeerden, 1997
• B. ter Haar, Geschiedenis der kerkhervorming, 1847
• Sesam Wereldgeschiedenis, deel 9
Deze pagina is overgenomen -met toestemming- van Marco de Leeuw van Weenen.
Waarvoor veel dank. Er zijn slechts wijzigingen gemaakt in layout, wat
plaatjes toegevoegd en er zijn wat meer (tussen)kopjes en links naar de
genoemde kerken gemaakt. De inhoud, het meeste werk, is van hem afkomstig.
De rest van zijn site kunt u vinden op www.geocities.com/leeuwvanweenen/ |
|
|